|
| Media en de moraal van het einde van de moraal |
| 21-02-2006: Bart Pattyn |
|
De discussie tussen conservatieve en progressieve burgers over hoe ver de media kunnen gaan is in een impasse terecht gekomen omdat de discussie onderhuids over iets anders gaat dan over het respecteren van grenzen. Soms wordt het voorgesteld alsof progressieve burgers geen rekening willen houden met morele principes.
In werkelijkheid houden ze wellicht te veel rekening met morele principes. Ze koesteren het principe dat elk individu het recht heeft om er ongestoord persoonlijk van overtuigd te zijn dat het leven dat hij of zij leidt de moeite waard is.
Alle levensbeschouwelijke, godsdienstige of ideologische opvattingen die de illusie doorprikken dat een individu zelf kan bepalen wat een leven de moeite waard maakt en die op die manier de individuele overtuiging op eigen kracht een te waarderen leven te kunnen leiden in diskrediet brengen, worden daarom gemeden, weggecijferd of als nostalgisch omschreven. Dit progressief engagement is bijzonder sterk moreel geladen.
Progressieve medeburgers willen elk individu, ook individuen met populaire voorkeuren, te hulp snellen, redden of in elk geval behoeden voor het verwijt een oninteressant leven te leiden. Daarom wordt elke positieve invulling van mediakwaliteit meteen gerelativeerd en worden alle culturele of esthetische voorkeuren als volkomen gelijkwaardig beschouwd.
Dit moreel engagement maakt het vandaag onmogelijk om maatregelen te verdedigen om de kwaliteit van de media op te krikken, bestendigt op lange termijn het einde van de publieke omroep en bespoedigt een ongelimiteerde commercialisering van de media. Wie tegen die stroom in roeit en kwaliteitscriteria hard wil maken zal immers ongenadig paternalisme of elitarisme worden verweten.
Het is daarbij belangrijk te bedenken dat de progressieve idee dat ‘Alles moet kunnen’ niet wordt verdedigd omdat men vindt dat er geen vernederende of onbenullige programma’s bestaan, maar wel omdat men het in onze samenleving niet ‘politiek correct’ acht mensen te laken die dat soort onzin bekijken.
De moraal van het einde van de moraal is echter uiteindelijk ook een moraal. Het ethisch engagement van deze moraal bestaat erin het voor iedereen mogelijk te maken de illusie te koesteren een even interessant leven te leiden als dat van om het even welke andere burger. Alles wat die egalitaire illusie kan bedreigen, wordt vanuit dit engagement systematisch in diskrediet gebracht.
Maar terwijl deze moraal elk moreel verschil wil opheffen door elke ernstige discussie over de kwaliteit van de media en de functie van een openbare omroep in de kiem te smoren, lijken de media wel degelijk een invloed uit te oefenen op de morele verstandhouding binnen onze samenleving.
Ze doen dat ‘marketing gedreven’ en dragen er toe bij dat de positieve identificatie van de burger met zijn of haar samenleving onder druk is komen te staan.
Er wordt stil gestaan bij het paradigma van Censydiam, één van de toonaangevende de theorieën van het actuele marketing gedreven mediabeleid. Daarna worden diverse types van berichten en entertainment geanalyseerd en wordt aangetoond op welke manier de op marktsegmenten toegesneden media invloed uitoefenen op de actuele maatschappelijke morele verstandhouding.
Terwijl op het niveau van de manifeste dialoog de indruk gegeven wordt dat moderne mensen aan de moraal voorbij kunnen gaan, blijken er zich allerhande impliciete morele spanningen op te stapelen. Het lijkt vanuit dit opzicht belangrijk om in de discussie over de kwaliteit van de media voorbij te gaan aan de moraal van het einde van de moraal.
|
| Terug |
|